On 8 January 2019, the Netherlands Institute of International Relations – Clingendael – has sent a Policy Brief  to the Permanent Committee of Foreign Affairs of the Dutch Parliament, entitled: ‘Wie wind zaait, zal storm oogsten: bezetting en de Staat Israël’. In this Policy Brief  (December 2018), the authors claim that with regard to the legal state of affairs, the State of Israel is wrong.

The following BLOG is an abridged version of the comments on the legal aspects of the Policy Brief  by Dr. Matthijs de Blois, Senior Fellow of thinc., in which he uncovers the authors’ erroneous representation of international law. In addition, Dr. de Blois points to the anti-Israel intonation of the Policy Brief.

The Policy Brief  and the comments are written in the Dutch language.

In dit commentaar betrekken we tevens de antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken (Aanhangsel 1251) op de Kamervragen van mevr. Karabulut (SP) die betrekking hebben op de policy brief.

Toonzetting

Wat als eerste opvalt bij lezing van de policy brief isdeanti-Israël toonzetting. In de Inleiding wordt gesproken over “Israëls ‘veiligheid’” waarbij veiligheid tussen aanhalingstekens is geplaatst, alsof het beroep op de veiligheid niet serieus te nemen is. Op p.3 wordt gesproken van “structureel recidive” als het over het optreden van Israël gaat. Deze aan de sfeer van het strafrecht ontleende term impliceert een kwalificatie van het Israëlische optreden als misdadig. Op p.5 heeft men het over het ‘cultiveren’ door Israëlische politieke elites van ‘het schrikbeeld van permanent existentiële dreiging’ alsof die dreiging niet reëel is. Enz., enz.

Tekenend en zorgwekkend is hoe gesproken wordt over het onderscheid tussen antisemitisme en antizionisme op p.5, Nb 21. Antisemitisme is volgens de policy brief : “verwerpelijke discriminatie en racisme op basis van de etnische karakteristieken van de Joden als volk”. Antizionisme is volgens de brief : “legitiem verzet tegen een politiek project dat als doel heeft het in stand houden[1] en uitbreiden van de staat Israël op basis van een exclusief Joods karakter.” Het is niet te rijmen hoe verzet tegen het bestaan van Israël als Joodse staat legitiem kan zijn, terwijl antisemitisme verwerpelijk is. Hoe kan kritiek op het Joodse karakter van de staat Israël onderscheiden worden van discriminatie en racisme op basis van de etnische karakteristieken van de Joden als volk? Het door de policy brief gelegitimeerde antizionisme is niets anders dan een moderne variant van antisemitisme.

Tegenover de nauwelijks verhulde afkeer van de Israëlische positie staat een positieve benadering van het Palestijnse/Arabische perspectief. Uitgesproken zorgelijk is de miskenning van de aard van Hamas. Op p.6 wordt gezegd dat de strategie van gewapend verzet van Hamas in ‘een islamitisch jasje’ is gehuld. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat dit slechts een uiterlijke vorm is, terwijl het gaat om het hart van de ideologie, die zich rechtsreeks tegen de staat Israël en het Joodse volk richt. Er wordt verwezen naar de “gematigde politieke opstelling” van Hamas in 2006, maar ook toen al was Hamas een radicale antisemitische organisatie die de staat Israël wilde vernietigen.

Juridische kanttekeningen

De policy brief stelt: “Over de juridische stand van zaken van het conflict kunnen we kort zijn: Israël heeft ongelijk. De relevante bepalingen van het internationaal recht zijn glashelder over het feit dat de duur en aard van de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden deze illegitiem maken.” De stapsgewijze annexatie van de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem worden illegaal genoemd. Tenslotte wordt gesteld dat Israël de rechten van de civiele Palestijnse bevolking schendt “onder het mom van … de veiligheid” zonder dat er van “existentiële militaire dreigingen” sprake is. “Voorbehouden en alternatieve interpretaties van de Israëlische regering … zijn juridisch gezien rookgordijnen.” (p.3). Deze uitspraken zijn onjuist en misleidend; wij zullen aantonen dat de auteurs van de policy brief de belangrijkste internationaalrechtelijke aspecten van het Israëlisch-Palestijns conflict negeren.

De status van de omstreden gebieden

De Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Gazastrook worden in de policy brief ten onrechte als bezette gebieden gekwalificeerd. Hierbij sluit de Minister van Buitenlandse Zaken zich aan als hij spreekt van “de sinds 1967 door Israël bezette gebieden” die de Nederlandse regering en de EU “niet als onderdeel van het Israëlisch grondgebied” beschouwen.

Israëls presentie in en aanspraken op de omstreden gebieden, in de policy brief aangeduid als Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza, heeft legitieme gronden. Deze worden ontleend aan het Palestina Mandaat, dat in 1922 door de Raad van de Volkenbond werd vastgesteld. Dit Mandaat voorzag in de vestiging van een Joods nationaal tehuis in het geografische gebied Palestina en garandeerde de immigratie van Joden en het recht zich daar te mogen vestigen. Het Mandaatgebied strekte zich aanvankelijk uit van de Middellandse Zee tot aan de oostgrens van het huidige Jordanië. Overigens had de mandataris, Groot-Brittannië, het gebied in 1921 al ingeperkt tot het hele gebied ten westen van de Jordaan, dus inclusief Judea en Samaria (later: Westelijke Jordaanoever) en de Gazastrook.

De Volkenbond is in 1946 opgeheven en kreeg een opvolger in de in 1945 opgerichte VN. De rechten verkregen onder het Palestina Mandaat zijn juridisch nog van betekenis. Dat blijkt uit artikel 80 van het VN-Handvest, dat een overgangsregeling bevat die zegt dat de rechten die staten en volken verkregen hebben onder een mandaat gerespecteerd moeten worden, zolang er m.b.t. het betreffende territoir nog geen trustschap-overeenkomst is gesloten. Dat is m.b.t. het Palestina Mandaat nooit gebeurd. Het Joodse volk kan dus terecht aanspraak maken op de rechten onder het Mandaat.

Nederland moet, zo zegt de policy brief, internationale verdragen, waaronder het Handvest van de VN respecteren. De Minister geeft aan dat internationaal recht hoeksteen is voor de inzet t.a.v. het Israëlisch-Palestijns conflict. Dan moet ook artikel 80 van het VN-Handvest serieus genomen worden!

Uitroeping van de staat Israël

Toen de Britten zich in 1948 als mandataris terugtrokken riep Ben Gurion op 14 mei van dat jaar de staat Israël uit. Volgens het internationaalrechtelijk beginsel uti possidetis juris zijn de vóór de onafhankelijkheid bestaande administratieve grenzen bepalend voor de grenzen van de nieuwe staat. Op grond daarvan behoren de Westelijke Jordaanoever en Gaza tot het grondgebied van de staat Israël. De uitroeping van de onafhankelijkheid werd onmiddellijk gevolgd door een aanval van vijf Arabische staten. Uitkomst van die strijd was dat Jordanië de Westelijke Jordaanoever en de Oude Stad van Jeruzalem bezette en in 1950 annexeerde. Joden die daar woonden werden verdreven. Synagogen werden verwoest. Egypte bezette de Gaza strook. Deze uitkomst vormde het uitgangspunt van de wapenstilstandsakkoorden die Israël met Jordanië en Egypte sloot. De wapenstilstandslijnen van 1949, die tegenwoordig in de krant meestal de ‘grenzen van 1967’ worden genoemd, zijn volgens het internationaal recht geen grenzen, maar slechts lijnen die het einde van de vijandelijkheden markeren. Zij bepalen niet welke staat de soevereiniteit over die gebieden heeft.

Na de Zesdaagse Oorlog: ‘bezette gebieden’?

Na de Zesdaagse oorlog in juni 1967, waarin Israël zich opnieuw tegen Arabische agressie moest verdedigen, is het gebied dat onder Israëlisch bestuur kwam aanzienlijk uitgebreid, met onder andere de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem. Door velen worden de genoemde gebieden sindsdien ten onrechte aangeduid als ‘bezette gebieden’. Om te beginnen kan die term niet gebruikt worden gelet op de relevantie van het Mandaat, zoals hierboven uitgelegd. De gebieden maken in dit perspectief deel uit van de staat Israël. Verder merken wij op dat Israël niet het grondgebied van andere staten heeft ingenomen; het ging om gebieden die Jordanië en Egypte in 1948 zonder rechtsgrond hadden bezet na een agressieoorlog. De in artikel 2 van de Vierde Geneefse Conventie bedoelde situatie van bezetting van een territoir van een staat (in casu Jordanië of Egypte) door een andere staat (Israël), deed zich dus niet voor. In de policy brief (p.3, Nb 14) wordt gesteld dat de internationale communis opinio deze lezing verwerpt. Dit is onjuist en gaat voorbij aan hetgeen hierover door gezaghebbende geleerden op het gebied van het internationaal recht is geschreven.

Hieraan moet nog worden toegevoegd dat het internationale recht agressie veroordeelt (art. 2 lid 4 VN-Handvest) en daartegenover geweldgebruik ter zelfverdediging toelaat (art. 51 VN-Handvest). Zoals Schwebel, ooit president van het Internationaal Gerechtshof, heeft gesteld is het relevant om vast te stellen of een gebied verworven is in een agressieoorlog óf een verdedigingsoorlog. Hij wijst op Resolutie 242 (1967) van de VN Veiligheidsraad – aangenomen na de Zesdaagse Oorlog – waarin het beginsel wordt aangehaald dat het verwerven van territoir door middel van oorlog ontoelaatbaar is. Volgens Schwebel moet dit beginsel worden beschouwd in samenhang met een nog algemener beginsel, nl. dat geen recht ontleend kan worden aan onrecht. Een staat (Israël), die een gebied onder controle krijgt na een verdediging tegen een staat (Jordanië), die dat gebied eerder door agressie heeft verworven, heeft een sterker recht op dat gebied dan de agressor. Ook afgezien van het Mandaat is de titel van Israël t.a.v. de na de Zesdaagse Oorlog verworven gebieden daarom sterker dan die van Jordanië. Het is goed hierbij op te merken dat in het vredesverdrag van Jordanië met Israël (1994) geen sprake is van een soevereiniteitsclaim van Jordanië op de Westelijke Jordaanoever. In dat verdrag wordt het midden van de rivier de Jordaan aangegeven als de internationale grens tussen beide staten. De status van Judea en Samaria wordt uitdrukkelijk open gehouden.

Resolutie 242 – Judea, Samaria en de nederzettingen

In Resolutie 242 formuleerde de Veiligheidsraad als uitgangspunt dat de Israëlische troepen zich zouden moeten terugtrekken uit in het recente conflict ‘bezette gebieden.’ Het is van belang te onderstrepen dat in de Engelse versie van de resolutie, die gebaseerd is op een voorstel van de Britse regering, heel bewust het bepalende lidwoord ‘de’ of het woord ‘alle’ niet zijn gebruikt. Volgens de Veiligheidsraad hebben alle staten in de regio – dus ook Israël – het recht om in vrede te leven binnen veilige en erkende grenzen. De geschiedenis van de staat Israël had in 1967 al overduidelijk aangetoond dat de wapenstilstandslijnen uit 1949 niet konden gelden als veilige grenzen.

Met betrekking tot de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook is vanaf 1993 in de door Israël en de PLO gesloten Oslo-akkoorden een complex regime voor het bestuur van deze gebieden afgesproken, dat in de toekomst plaats moet maken voor een definitieve regeling waarover onderhandeld moet worden. De status van de Joodse nederzettingen moet in de definitieve regeling worden vastgesteld.  In het in 1995 tussen Israël en de Palestijnse Arabieren gesloten interim-akkoord is verder uitdrukkelijk bepaald dat Israël verantwoordelijk is voor de veiligheid van de nederzettingen. Bij dit alles moet bedacht worden dat de nederzettingen in het oorspronkelijke Mandaatgebied liggen. Hierboven is reeds uiteengezet dat de rechten van het Joodse volk onder het Mandaat nooit zijn vervallen. Daartoe behoort ook het recht op immigratie en vestiging.

De duur van de ‘bezetting’

Indien men al zou willen uitgaan van de stelling dat er sprake is van een ‘gewone bezetting’ in de zin van de Vierde Geneefse Conventie, dan kan de duur daarvan (sinds 1967) deze nog niet illegaal maken, zoals in de policy brief wordt gesuggereerd (p.3). De Conventie bindt de duur niet aan een bepaalde termijn. Het is overigens opmerkelijk dat de duur van de bezetting in het internationale debat als argument voor de onrechtmatigheid daarvan exclusief aan de orde wordt gesteld als het om het optreden van Israël gaat, en bijvoorbeeld niet i.v.m. de bezetting van Tibet door de Volksrepubliek China, of de bezetting van Kashmir voor India.

Basic Law: The Nation State of the Jewish People (2018)

In de policy brief wordt gesteld dat de Nation State Law de Palestijnse burgers van Israël marginaliseert. Dit is onjuist. Geen enkele bepaling in die wet doet afbreuk aan de rechten van de Palestijnse burgers van Israël. Zij blijven alle burgerrechten en politieke rechten genieten die hen toekomen op basis van het Israëlische recht. De Nation State Law garandeert bovendien expliciet dat niet-Joden het recht hebben om hun rust- en feestdagen in acht te nemen. Het Hebreeuws wordt gekwalificeerd als de nationale taal, maar daar wordt direct aan toegevoegd dat het Arabisch een speciale status heeft en dat de wet geen wijziging brengt in de status die het Arabisch had voor het inwerking treden van de Nation State Law.

Conclusie

  • De policy brief van Clingendael vertoont een gevaarlijke anti-Israël tendens.
  • De stelling dat gelet op de juridische stand van zaken van het conflict Israël ongelijk heeft, is onjuist.
  • De auteurs negeren de belangrijkste juridische argumenten voor Israëls presentie in en aanspraken op de omstreden gebieden; hun appreciatie van de Nation State Law is onjuist. De auteurs schermen met ‘mensenrechten’, maar blijken niet op de hoogte te zijn van de fundamentele internationaalrechtelijke aspecten van het conflict.
  • De policy brief van Clingendael misleidt en draagt niet bij aan (een aanzet tot) een rechtvaardige oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict.

[1] Onze cursivering.

6 Comments

    • there’s a suite of information available in the Publications section on the thinc. website and, in particular, the book ‘Israel on Trial’.

  1. Aw, this was an extremely nice post. Spending some time and actual effort to generate a very good article… but what can I say… I procrastinate a whole lot and don’t
    manage to get anything done.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Post comment