BDS and anti-Semitism

Dr Matthijs de Blois en mr Freek Vergeer *

The Rights Forum

The Rights Forum (TRF)heeft zich op 24 januari 2022 met een zogeheten WOB-verzoek gericht tot Nederlandse universiteiten. De ooit door oud-premier Van Agt opgerichte pro-Palestijnse NGO wil geïnformeerd worden over de contacten die universiteiten en hun medewerkers onderhouden met hun Israëlische tegenhangers. Daarnaast wordt gevraagd naar samenwerking en/of correspondentie met een hele lijst met organisaties van Joodse signatuur en organisaties die de Joodse staat steunen of zich bezighouden met de bestrijding van antisemitisme. Het sterke vermoeden is dat TRF deze actie onderneemt om de staat Israël als Joodse staat te de-legitimeren. Het is algemeen bekend dat TRF ernstige bezwaren heeft tegen het beleid van de staat Israël.

Het is van belang om te onderzoeken hoe de opstelling van TRF zich verhoudt tot de IHRA definitie van antisemitisme en daarmee ook tot het verbod van discriminatie op grond van ras, afkomst of nationale of etnische afstamming en godsdienst.

De International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA)

De ‘International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA)’ heeft in 2016 antisemitisme als volgt gedefinieerd: “Antisemitisme is een bepaalde perceptie van Joden die tot uiting kan komen als een gevoel van haat jegens Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme zijn gericht tegen Joodse of niet-Joodse personen en/of hun eigendom en tegen instellingen en religieuze voorzieningen van de Joodse gemeenschap.” De IHRA geeft aan: ”Er is bijvoorbeeld sprake van een uiting van antisemitisme wanneer de Staat Israël, opgevat als een Joods collectief gegeven, in het vizier wordt genomen.” De organisatie heeft bij de definitie een leidraad gevoegd met praktijkvoorbeelden die de betekenis van de definitie illustreren.

In verband met het WOB-verzoek zijn om te beginnen de volgende twee voorbeelden relevant:

‘Joden als volk ervan beschuldigen verantwoordelijk te zijn voor reële of ingebeelde vergrijpen die zijn gepleegd door één enkel Joods individu of één enkele Joodse groep, of zelfs voor daden die zijn gepleegd door niet-Joden.’

en

‘De Joden collectief verantwoordelijk stellen voor de daden van de Staat Israël.’

TRF heeft tot doel niet alleen het beleid van de Israëlische regering ten aanzien van de Palestijnen te bekritiseren, maar ook de Nederlandse overheid en in bredere zin de Nederlandse samenleving te bewegen actie te ondernemen tegen Israël op politiek, economisch, cultureel en wetenschappelijk gebied (vgl. BDS). In dat kader past het verzoek dat zich richt tot Nederlandse universiteiten. Opvallend is daarbij dat het verzoek ook betreft contacten met allerlei Joodse en pro-Israël organisaties. Het gaat om een heel palet aan organisaties die allerlei activiteiten ontplooien en doelen nastreven, onder andere op het gebied van de bestrijding van antisemitisme. Het lijkt er sterk op dat TRF een collectieve verantwoordelijkheid van met name het Joodse volk suggereert ten aanzien van wat TRF ziet als ‘wandaden’ van de staat Israël. Verder is het volgende voorbeeld relevant.

‘Met twee maten meten, in die zin dat van de Staat Israël een bepaald gedrag wordt geëist dat niet van andere democratische naties wordt verwacht of verlangd.’

Het WOB verzoek

Het WOB-verzoek van TRF maakt duidelijk dat van Israël een bepaald gedrag geëist wordt dat niet van andere democratische naties of van de Palestijnse Autoriteit wordt verwacht. Het is frappant dat men niet is geïnteresseerd in informatie over contacten met Palestijnse universiteiten of met pro-Palestijnse organisaties, hoezeer ook TRF aangeeft zich in te zetten voor een ‘rechtvaardige uitkomst van de kwestie Palestina/Israël’. Blijkbaar is al duidelijk wie de ‘schuldige’ is met wie universiteiten zich niet zouden moeten afgeven. Het valt tegen van een organisatie met zoveel prominente juristen dat het beginsel van equality of arms niet wordt gehonoreerd. Ook het volgende voorbeeld is relevant.

‘Joodse burgers ervan beschuldigen zich loyaler op te stellen ten aanzien van Israël of de vermeende prioriteiten van de Joden wereldwijd, dan ten aanzien van de belangen van hun eigen natie.’

Antisemitisme

Voldoening aan het WOB-verzoek dwingt universiteiten om hun medewerkers te bevragen op hun contacten met bedoelde universiteiten en organisaties. Dat kan deze medewerkers in een zeer ongemakkelijke positie brengen. Weigering van medewerking kan – afgezien van de arbeidsrechtelijke aspecten – uitgelegd worden als een misplaatste loyaliteit aan de staat Israël of de Joodse gemeenschap. Zeker in het licht van de bittere geschiedenis van het antisemitisme is het verwerpelijk om de medewerkers aan een dergelijk verzoek bloot te stellen.

Tenslotte nog het volgende voorbeeld uit de opsomming van het IHRA.

‘Het Joodse volk het recht op zelfbeschikking ontzeggen, bv. door te beweren dat het bestaan van de Staat Israël is ingegeven door racistische overwegingen.’

De brief met het WOB-verzoek aan de universiteiten heeft het over “organisaties die steun voor de staat Israël propageren.” De sterke suggestie is, dat een dergelijke steun verdacht is. Het gaat niet meer om kritiek op bepaalde aspecten van het beleid van Israël, maar om steun aan de staat als zodanig. Dat past overigens geheel in het optreden van TRF door de jaren heen. Niet voor niets geeft de organisatie steun aan het recente – overigens ondeugdelijke – rapport van Amnesty International dat Israël afficheert als een apartheidsstaat. En in de internationale rechtsorde is voor dergelijke staten geen plaats. TRF typeert het rapport als volgt: “Het is de weerslag van vier jaar gedegen onderzoek, waarin de vooraanstaande mensenrechtenorganisatie secuur naging of Israël zich bezondigt aan apartheid, dat zowel een misdaad tegen de menselijkheid als een ernstige schending van de internationaal beschermde mensenrechten is.”

Vaststelling dat er sprake is van antisemitisme maakt dat het verzoek van TRF op gespannen voet staat met het verbod van discriminatie op grond van ras, afkomst of nationale of etnische afstamming en godsdienst. Dit verbod ligt vast in verschillende internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdrag inzake uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 26), Protocol 12 bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag betreffende Europese Unie (artikel 6, juncto artikel 21 en 22 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie). Het gaat hier om hoger recht in de zin van artikel 94 van de Grondwet. Als de toepassing van wettelijke bepalingen zoals die van de WOB in strijd komt met een ieder verbindende bepalingen uit verdragen, dan moet die toepassing achterwege blijven.

Hieraan kan nog een ander mogelijk argument tegen het WOB-verzoek worden toegevoegd. Gesteld kan worden dat er sprake is van misbruik van het recht van de verzoeker krachtens de WOB. Ter toelichting het volgende. Artikel 3:13 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat ‘Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.’ Lid 2 voegt daar aan toe: ‘Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.’ Artikel 3:15 BW maakt duidelijk dat deze regels niet alleen voor het vermogensrecht gelden: ‘De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.’ Zij kunnen dus ook van toepassing zijn in het bestuursrecht in het algemeen en meer in het bijzonder ten aanzien van WOB-verzoeken, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt.

In het licht daarvan is het van belang een principiële vraag te stellen naar het doel van dit WOB-verzoek. Kijkend naar de WOB en uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is zichtbaar dat het bij WOB-verzoeken moet gaan om informatie waarbij een ieder belang heeft bij de openbaarmaking van deze informatie. TRF geeft zelf het volgende aan over de achtergrond van het verzoek: “Achtergrond van het verzoek is de jarenlange discussie in Europa over mogelijke directe of indirecte betrokkenheid van Nederlandse en andere academische instellingen bij onder meer Israëls illegale kolonisering van bezet Palestijns gebied en de Israëlische wapenindustrie. Die discussie lijdt onder een gebrek aan concrete gegevens.” Dit klinkt in eerste instantie als een plausibele uitleg, althans vanuit de optiek en doelstelling van TRF. Bovendien wordt er gebruik gemaakt van een legaal middel, namelijk een WOB-verzoek. Dit benadrukt TRF ook. TRF geeft aan dat zij het WOB-verzoek hebben ingediend namens andere academici en studenten, omdat die een storm van protest verwachten. Ook dit bleek waar te zijn.

Maar de vraag is of de motieven van TRF hier echt zo zuiver zijn. Allereerst omdat TRF dit verzoek heeft ingediend namens andere academici en studenten. Dit klinkt sympathiek, maar het niet openbaar maken van de werkelijke indieners van een WOB-verzoek is op zijn minst paradoxaal te noemen.

In de tweede plaats is het opvallend dat het verzoek is gedaan aan de vooravond van de ‘Israeli apartheid week’ op verschillende universiteiten. Dit lijkt dan ook meer het kader te zijn waarin het middel is ingezet, niet zo zeer het op gang brengen van een discussie.

BDS

Het derde hangt hier mee samen. TRF is onderdeel van de BDS-beweging. Het lijkt er op dat het WOB-middel vooral wordt gebruikt als “lawfare”, om Israël in een kwaad daglicht te stellen. Daar is de Wet Openbaarheid van Bestuur niet voor bedoeld. Ook de taal van TRF wijst op “lawfare”. In het WOB-verzoek wordt gesproken over “organisaties die steun voor Israël propageren” en in berichtgeving op de website wordt gesproken over “illegale kolonisering”.

Ten vierde: het WOB-verzoek is niet alleen gericht op contacten van de universiteiten met de Israëlische overheid en bedrijven, zoals te verwachten zou zijn gezien het doel van het WOB-verzoek. Er worden veel meer gegevens opgevraagd.

Ten slotte is het van belang te wijzen op de volkomen begrijpelijke reactie van Joodse en pro-Israëlische organisaties op het WOB-verzoek. TRF en de daadwerkelijke personen die achter het WOB-verzoek zitten wisten dat deze reactie zou komen. De acties tegen Joodse hoogleraren en andere universiteitsmedewerkers zijn ook in Nederland de opmaat gebleken naar nog verdergaande vormen van vervolging. De geschiedenis heeft uitgewezen hoe eeuwenlange Jodenvervolging kon culmineren in de Shoah. In het licht daarvan lijkt er sprake te zijn van een onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid onder de WOB en het belang dat daardoor wordt geschaad, zodanig dat naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Het getuigt van bijzonder weinig menselijk en historisch besef om toch dit WOB-verzoek in te dienen. Zoals TRF zelf al constateert zijn er op dit moment geen concrete gegevens die hun stelling ondersteunen. Het indienen van dit verzoek lijkt daarom op het blind schieten van een enorme lading hagel. Hagel die bovendien zeer pijnlijk is voor Joodse medeburgers gezien de historische context en hagel die alleen maar gebruikt wordt voor “lawfare”.

Al met al betekent het voorgaande dat de universiteiten goede juridische argumenten hebben om het WOB-verzoek van TRF naast zich neer te leggen.


*) Dr Matthijs de Blois is Senior Fellow, thinc. Mr Freek Vergeer is voorzitter van Nederlandse Juristen voor Israël (stichting i.o.).

Print Friendly, PDF & Email