Afb. YNET

Door Lea Bilke en Amb. Alan Baker*

Op 22 oktober 2021 wees de Israëlische minister van Defensie, Benny Gantz, zes Palestijnse NGO’s aan als terreurorganisaties die banden hebben met het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (Popular Front for the Liberation of Palestine – PFLP). De PFLP wordt door Israël, de EU, de Verenigde Staten en andere landen erkend als een terroristische organisatie, aangezien zij betrokken was bij vliegtuigkapingen in de jaren zeventig, aanvallen op Israëli’s in de Tweede Intifada, de moord op vijf Israëlische gelovigen in 2014 in een synagoge in Jeruzalem, en meer aanvallen op Joden over de hele wereld. De Abu Ali Mustafa Brigades, de terreurtak van de PFLP, onderhoudt de operationele samenwerking met Iran en Hezbollah. Bovendien is de PFLP een belangrijke partner in de Palestijnse Nationale en Islamitische Strijdkrachten (PNIF), de overkoepelende organisatie voor Palestijnse terreurgroepen.

In reactie op internationale reacties en kritiek op de Israëlische verklaring, is het doel van dit artikel de banden tussen de Palestijnse NGO’s en de PFLP, en de legitimiteit van de aanwijzing als “terreurorganisatie” onder internationaal recht uit te leggen.

De link tussen de zes Palestijnse NGO’s en de PFLP

Een gedetailleerd rapport van NGO Monitor[1] onthulde de link tussen de zes aangewezen Palestijnse NGO’s en de PFLP-organisatie. NGO Monitor publiceerde de volgende activiteiten van leden van de NGO’s die rechtstreeks verband houden met de ondersteuning, financiering en aanmoediging van de terroristische groepering PFLP:

Al Haq

Shawan Jabarin, algemeen directeur van Al-Haq, werd in 1985 veroordeeld voor het werven en organiseren van trainingen voor PFLP-leden. In 2008 werd hij door het Israëlische Hooggerechtshof aangeduid als een ‘senior activist’ binnen de PFLP.

Financiering: Europese Unie, Zweden, Noorwegen, Ierland, Italië, Frankrijk en Spanje.

Addameer

Abdul-Latif Ghaith, de oprichter en voormalig voorzitter van Addameer, is geïdentificeerd als een ‘activist’ van de PFLP.

Khalida Jarrar, de voormalige vicepresident van Addameer, werd in maart 2021 veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens lidmaatschap van de PFLP.

Bashir Al-Khairi, lid van de Raad van Bestuur van Addameer, is lid van de Nationale Raad van de PFLP.

Financiering: Ierland, Noorwegen, Spanje, Zwitserland en de Heinrich Boll Foundation.

Defence for Children International – Palestina (DCI-P)

Hashem Abu Maria, de voormalige coördinator van de gemeenschapsmobilisatie-eenheid van DCI-P, werd door de PFLP geprezen als een “leider”.

Nassar Ibrahim, voormalig voorzitter van de Algemene Vergadering van DCI-Ps, was voormalig redacteur van El Hadaf, de wekelijkse publicatie van de PFLP.

Mary Rock, een voormalig DCI-P-bestuurslid, was een PFLP-kandidaat voor de Palestijnse Wetgevende Raad.

Financiering: EU, Italië, Zweden, Nederland, Broederlijk Delen, Rockefeller Brothers Fund, Save the Children en UNICEF.

Bisan Centrum voor Onderzoek en Ontwikkeling

Ubai Aboudi, de uitvoerend directeur van Bisan, werd in 2020 veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens lidmaatschap van de PFLP.

Itiraf Hajaj (Rimawi), voormalig uitvoerend directeur van Bisan, was verantwoordelijk voor clandestiene PFLP-operaties en werd in 2020 veroordeeld tot 42 maanden.

Financiering: Europese Unie, Europese Commissie, België, Italië en Spanje.

Unie van Palestijnse Vrouwencomités (UPWC)

Suhair Khader, vice-president van UPWC, is lid van het Centraal Comité van de PFLP.

Smira Abdel-Alin, hoofd van de UPWC in het Rafah-gebied, is lid van het Centraal Comité van de PFLP.

Ismat Shakhshir, hoofd van de UPWC-operaties in het Nablus-district, stelde zich kandidaat voor de Palestijnse Wetgevende Raad die de PFLP vertegenwoordigde.

Financiering: Baskische regering, Norwegian People’s Aid en AECID.

Unie van landbouwwerkcomités (UAWC)

Door USAID geïdentificeerd als de “agrarische tak” van de PFLP.

Abdul Razeq Farraj, voormalig financieel en administratief directeur van de UAWC, werd in 2019 gearresteerd voor het rekruteren van leden van de PFLP.

Samer Arbid, de accountant van UAWC, werd gearresteerd omdat hij het bevel voerde over een PFLP terreur eenheid die een bomaanslag uitvoerde waarbij een Israëlische burger werd vermoord.

Financiering: Frankrijk, Nederland, Spanje (AECID), Norwegian People’s Aid, Medico, Grassroots International, Oxfam Solidarité en UN OCHA.

Relevante bepalingen van internationale resoluties en verdragen die betrekking hebben op terreuractiviteiten

In artikel 1, lid 1, beschrijft het VN-Handvest de doelstellingen van de Verenigde Naties, waaronder de handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Staten zijn daarbij verplicht effectieve maatregelen te nemen om dergelijke dreigingen te voorkomen. Door de zes Palestijnse NGO’s als terreurorganisaties aan te wijzen, streeft Israël zijn door het Handvest beschermde recht na om bescherming te bieden tegen een internationaal erkende terroristische organisatie.

Dit is in overeenstemming met de relevante resoluties van de Verenigde Naties en het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme.

Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR)[2]

In zijn meest prominente resolutie over terrorisme, aangenomen in de nasleep van de terreuraanslagen van 9/11 op de Verenigde Staten, benadrukte de VN-Veiligheidsraad in de preambule clausules de “noodzaak om met alle middelen (…) bedreiging van vrede en veiligheid te bestrijden veroorzaakt door terroristische daden.” De passage “met alle middelen” is in het verleden geïnterpreteerd om maatregelen van zelfverdediging tegen terroristische groeperingen mogelijk te maken. Het criminaliseren van groepen om de staat te beschermen is een meer gematigd middel voor een staat om zichzelf te beschermen. Daarom moet ook criminalisering worden gedekt.

In operatieve clausule 1 b) van Res. 1373 besliste de VN-Veiligheidsraad dat staten “het opzettelijk verstrekken of verzamelen, op welke manier dan ook, direct of indirect, van fondsen door hun onderdanen of op hun grondgebied met de bedoeling dat de fondsen zouden worden gebruikt … om terroristische aanslagen uit te voeren strafbaar zullen stellen.” Daarmee stelt de resolutie staten in staat het financieren van terroristische groeperingen strafbaar te stellen. Het mag niet worden uitgesloten dat de NGO-leden het PFLP financieel hebben ondersteund.

Bovendien verplicht clausule 2 d) staten om “te voorkomen dat degenen die terroristische aanslagen financieren, plannen, faciliteren of plegen hun respectieve grondgebied voor die doeleinden gebruiken tegen andere staten of hun burgers.” Israël mocht zich daarom beschermen tegen de aanhangers van de terroristische groepering PFLP.

VN Veiligheidsraad Resolution 2642 (2019)[3]

Hoewel Res. 1373 de meest geciteerde resolutie is op het gebied van terrorismepreventie, zijn er recentere die de principes van Res. 1373 herbevestigen. Res. 2642, bijvoorbeeld, verzekert in zijn preambule clausules dat alle daden van terrorisme crimineel en niet te rechtvaardigen zijn. Verder roept Res. 2642 in operatieve clausule 8 staten op om “zaken van terrorismefinanciering effectiever te onderzoeken en te vervolgen en passende, effectieve en evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties toe te passen op personen en entiteiten die zijn veroordeeld voor terrorismefinancieringsactiviteiten.”

Als gevolg van het criminele karakter van terrorisme kunnen en moeten handelingen die terroristische groeperingen ondersteunen worden gecriminaliseerd om een effectieve preventie van terrorisme te waarborgen, hetgeen de internationale gemeenschap nastreeft.

Het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme (Financieringsverdrag) (1999) en de Israëlische terrorismebestrijdingswetgeving[4]

Overeenkomstig artikel 4, sub a), van het Financieringsverdrag moet elke partij “maatregelen nemen om strafbare feiten vast te stellen krachtens haar nationale recht”.

Israël heeft de terrorismebestrijdingswet 5776-2016 aangenomen om deze strafbare feiten vast te stellen. Hoofdstuk twee van deze wet, artikel 3a), stelt het Ministerie van Defensie in staat een organisatie van personen aan te wijzen als terroristische organisatie. Zelfs na zo’n aanwijzing bieden de artikelen 5 a) en 7 b) mogelijkheden om schriftelijke argumenten in te dienen of de aanwijzing in te trekken.

Ten slotte hebben aangewezen organisaties de mogelijkheid om een verzoekschrift in te dienen bij het Israëlische Hooggerechtshof. Daarom heeft Israël een nationale rechtsgrondslag gecreëerd die efficiënt en transparant is en in overeenstemming is met het Verdrag inzake terrorismefinanciering.

De jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof (IG)

Ten slotte heeft het hoogste gerechtshof voor internationaal recht, het Internationaal Gerechtshof (IG), in zijn beruchte Nicaragua-arrest[5] geoordeeld dat de Verenigde Staten verantwoordelijkheid droegen als gevolg van hun opleiding, bewapening, uitrusting, financiering en bevoorrading of anderszins aanmoedigende, ondersteuning en hulp aan de Contrarebellen. Hoewel dit besluit betrekking heeft op acties van staten, toont het niettemin de lijn die het internationaal recht trekt met betrekking tot het verlenen van steun aan terroristische groeperingen. Het idee van een absoluut verbod op het verlenen van steun aan terroristische groeperingen, hetzij financieel, hetzij door middel van training (zoals leden van Al-Haq en UAWC deden), geeft de strengheid van het internationaal recht aan en geeft staten daarmee de mogelijkheid zichzelf te beschermen tegen terreurdreigingen. Hiertoe behoort duidelijk het criminaliseren van NGO’s die dergelijke terroristische groeperingen actief en tastbaar ondersteunen.

Het probleem van de financiering

Zoals vastgesteld door NGO Monitor, worden de aangewezen Palestijnse NGO’s van tijd tot tijd gefinancierd door Europese overheidsinstellingen. Dit brengt een tweezijdig probleem met zich mee: ten eerste ondersteunen de Europese kaders organisaties die verband houden met terrorisme financieel en daarmee indirect de terroristische organisatie PFLP. Ten tweede accepteren de zes aangewezen organisaties financiering die zij misbruiken voor hun betrokkenheid bij terroristische activiteiten. Het gebruik van fondsen voor terroristische activiteiten is een flagrante schending van het internationaal recht.

Volgens artikel 2, lid 1, sub a), van het Verdrag inzake de financiering van terrorisme “begaat eenieder een strafbaar feit in de zin van het Verdrag indien die persoon … gelden inzamelt met de bedoeling deze geheel of gedeeltelijk te gebruiken om een handeling uit te voeren die een strafbaar feit vormt ….” Bijgevolg creëert het gebruik van fondsen van de aangewezen NGO’s voor hun PFLP-gerelateerde doeleinden een verdere schending van het internationaal recht.

Conclusie

De aanwijzing door Israël van de zes Palestijnse NGO’s is volledig in overeenstemming met de normen en verplichtingen van het internationaal recht. Daarbij concentreerde Israël zich bovenal op de connectie van die organisaties met de PFLP en de daaruit voortvloeiende actieve steun aan een terroristische groepering, die zwaarder weegt dan de activiteiten die door dergelijke organisaties ogenschijnlijk worden uitgevoerd als dekmantel voor hun terroristische activiteiten.

Door de koppeling tussen de organisaties en het PFLP komen ze in aanmerking voor strafbaarstelling in overeenstemming met de bepalingen van de relevante VN-verdragen en resoluties.

Als bescherming tegen de actieve en voortdurende acties van de PFLP om de veiligheid van Israël en de veiligheid van zijn burgers te ondermijnen, heeft Israël daarom het recht om aan de PFLP gelieerde NGO’s aan te wijzen als terreurgroepen en als zodanig zichzelf te beschermen tegen de heersende bedreigingen van vrede en veiligheid.


[1] https://www.ngo-monitor.org/reports/summary-pflps-ngo-network/

[2] https://www.unodc.org/pdf/crime/terrorism/res_1373_english.pdf

[3] https://undocs.org/S/RES/2462(2019)

[4] https://treaties.un.org/doc/db/terrorism/english-18-11.pdf

[5] ICJ, Case Concerning Military and Paramilitary Activities in and against Nicaragua, Merits, ICJ Rep 1986, 14 (1986), para. 228 (https://www.icj-cij.org/public/files/case-related/70/070-19860627-JUD-01-00-EN.pdf)

*) Lea Bilke studeert rechten aan de Vrije Universiteit van Berlijn in Duitsland en is gespecialiseerd in internationaal en Europees recht. Amb. Alan Baker is directeur van het Institute for Contemporary Affairs in het Jerusalem Center en hoofd van het Global Law Forum.

Dit artikel is op 2 november 2021 uitgegeven door het Jerusalem Center for Public Affairs onder de titel “Israel’s Designation of Six Terrorism-Linked NGOs Was in Full Accordance with International Law”. Vertaling: Pieter Hoogendoorn, thinc.

Print Friendly, PDF & Email