Dr Matthijs de Blois, Senior Fellow, thinc.

Arrest

Hof van Justitie van de Europese Unie 17 december 2020, zaak C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België (enz.) tegen de Vlaamse Regering

Onderwerp

Het Hof van Justitie van de EU acht in een prejudiciële uitspraak het Vlaamse verbod van de onverdoofde religieuze slacht in overeenstemming met het Unierecht. Dit verbod werd niet strijdig geacht met Verordening (EG) 1099/2009, die voorziet in dierenwelzijn bij de slacht, en evenmin met artikel 10 van het Handvest van de grondrechten (godsdienstvrijheid). In deze bijdrage wordt de uitspraak kritisch onder de loep genomen in het licht van de godsdienstvrijheid.

Relevante wetsartikelen

  • Artikel 13 Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (dierenwelzijn).
  • Artikel 10 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (vrijheid van religie).
  • Artikel 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (beperkingsclausulering).
  • Verordening (EG) 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
  • Artikel 16 Belgische wet betreffende de bescherming en het welzijn van dieren van 14 augustus 1986, Belgisch Staatsblad 3 december 1986.
  • Vlaams decreet 7 juli 2017 houdende wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, wat de toegelaten methodes voor het slachten van dieren betreft, Belgisch Staatsblad 18 juli 2017.

Achtergrond

In zijn arrest van 17 december 20201 heeft het Hof van Justitie van de EU antwoord gegeven op prejudiciële vragen van het Belgisch Grondwettelijk Hof over de uitlegging van het Unierecht in verband met het verbod van het Vlaamse Gewest op het uitvoeren van de onverdoofde religieuze slacht. Doel van het Vlaamse verbod is de bevordering van het dierenwelzijn. De regeling voorziet in een alternatief verdovingsprocedé voor de religieuze slachting, gebaseerd op de omkeerbare verdoving, die niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben. De kernvraag in deze zaak is of artikel 4 lid 4 en artikel 26 lid 2 van Verordening (EG) 1099/2009 (hierna ook: Verordening),2 gelezen in onderlinge samenhang en in het licht van artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) en artikel 13 van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie (hierna: Werkingsverdrag), toelaten dat een nationale wetgever de religieuze slacht zonder voorafgaande verdoving van het dier geheel verbiedt. De advocaat-generaal Hogan beantwoordde deze vraag ontkennend. Hij meende ‘dat artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening nr. 1099/2009, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 4, van die verordening, en gelet op artikel 10 van het Handvest en artikel 13 VWEU, aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet is toegestaan om voorschriften aan te nemen die voorzien, enerzijds, in een verbod op het onverdoofd slachten van dieren dat ook geldt voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting en, anderzijds, in een alternatief verdovingsprocedé voor de in het kader van een religieuze rite uitgevoerde slachting, gebaseerd op de omkeerbare verdoving en op het voorschrift dat de verdoving niet de dood van het dier tot gevolg mag hebben’.3 Het Hof oordeelde anders.

Overwegingen van het Hof

Het Hof overweegt om te beginnen dat het in Verordening 1099/2009 opgenomen voorschrift dat dieren voorafgaande aan de slacht moeten worden bedwelmd, past in het beleid van de Unie gericht op de bescherming van het welzijn van dieren. De in artikel 4 lid 4 van de Verordening voorziene uitzondering voor dieren die worden geslacht volgens methoden die vereist zijn voor religieuze riten, geeft ‘overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het Handvest, uitdrukking aan het positieve streven van de Uniewetgever om ervoor te zorgen dat de vrijheid van godsdienst en het recht om godsdienst te belijden of een overtuiging tot uitdrukking te brengen in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften worden geëerbiedigd, in het bijzonder ten aanzien van praktiserende moslims en praktiserende joden (…)’.4

Vervolgens wijst het Hof op de in artikel 26 lid 2 van de Verordening gegeven mogelijkheid aan lidstaten om in hun nationale recht een meer uitgebreide bescherming van het dierenwelzijn te realiseren. Volgens het Hof brengt de Verordening ‘niet zelf de noodzakelijke verzoening van het dierenwelzijn en de vrijheid van godsdienstbelijdenis tot stand (…), maar [zet] het slechts de grote lijnen [uit] voor de wijze waarop de lidstaten deze twee waarden met elkaar dienen te verzoenen’.5 Het Hof stelt vast dat het Vlaamse decreet het recht van gelovige joden en moslims om vrijelijk hun godsdienst te belijden beperkt. Het gaat daarom in op de in het Handvest voorziene beperkingsmogelijkheden. Volgens artikel 52 lid 3 moet daarbij als minimum het beschermingsniveau van de corresponderende rechten in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in aanmerking worden genomen, in dit geval dus artikel 9 EVRM. Artikel 52 lid 1 bepaalt dat de beperkingen bij wet moeten worden voorzien en dat zij de wezenlijke inhoud van de rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. Verder moeten zij beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang, of aan eisen ter bescherming van rechten en vrijheden van anderen. Deze bepalingen moeten gelezen worden in samenhang met artikel 13 van het Werkingsverdrag, dat zowel het welzijn van dieren als de eerbiediging van nationale bepalingen en gebruiken met betrekking tot godsdienstige riten noemt. Het Hof stelt dat een nationale regeling:

‘die de verplichting oplegt om dieren bij rituele slachtingen vooraf te bedwelmen, maar voorschrijft dat de bedwelming omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier mag leiden, in overeenstemming met de wezenlijke inhoud van artikel 10 van het Handvest, aangezien de (…) inmenging (…) beperkt blijft tot één aspect van de specifieke rituele daad van het slachten en de rituele slacht als zodanig niet verboden is’.6

Wanneer het gaat om de verhouding van de staat tot godsdiensten komt wat artikel 9 EVRM betreft aan de staat een ruime beleidsmarge toe. Die heeft betrekking op het komen tot een noodzakelijke verzoening van artikel 13 van het Werkingsverdrag en artikel 10 van het Handvest, ‘zodat er wordt gezorgd voor een billijk evenwicht tussen enerzijds de bescherming van het welzijn van dieren bij het doden en anderzijds de eerbiediging van de vrijheid voor eenieder om zijn godsdienst te belijden’.7 Het Hof wijst ook nog op de uit de adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid blijkende wetenschappelijke consensus over het feit dat voorafgaande bedwelming de beste manier is om het lijden van dieren bij het doden te verminderen.

Ten slotte overweegt het Hof dat ‘het Handvest, net als het EVRM, een levend instrument [is] dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige levensomstandigheden en de opvattingen die vandaag de dag in democratische staten heersen (…), zodat er rekening moet worden gehouden met de ontwikkeling van de waarden en opvattingen in de lidstaten, zowel op maatschappelijk als op normatief gebied. Het dierenwelzijn, een waarde waaraan de hedendaagse democratische samenlevingen sinds enkele jaren steeds meer belang hechten, kan in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen in grotere mate in aanmerking worden genomen in het kader van het ritueel slachten en aldus mede rechtvaardigen dat een regeling als in het hoofdgeding evenredig is.’8

Het Hof komt tot de conclusie dat de Vlaamse wetgever het litigieuze decreet kon vaststellen zonder in strijd te komen met het Unierecht.

Bespreking

In mijn bespreking richt ik mij op de overwegingen van het Hof vanuit het perspectief van de godsdienstvrijheid. Maar bij wijze van achtergrond volgen eerst enkele opmerkingen over de religieuze slacht, het toepasselijke Belgische recht en het Europeesrechtelijke kader.

De joodse en de islamitische religieuze slacht

Zowel de joodse als de islamitische godsdienst vereisen volgens de heersende visie op het religieuze recht ter zake dat dieren bestemd voor de consumptie niet voorafgaande aan de slacht bedwelmd mogen worden.9 Naar joodse godsdienstige overtuiging zijn de wetten van de religieuze slacht, de sjechita, door God aan Mozes gegeven op de berg Sinaï. De Thora zegt in Deuteronomium (Dewarim) 12:21: ‘(…) dan mag je van je rund- en kleinvee, dat de Eeuwige je gegeven heeft, slachten, zoals ik je geboden heb (…)’.10 Deze laatste zinsnede wordt gezien als een verwijzing naar de mondelinge Thora, die is neergelegd in de Misjna (rond 200) en samen met commentaren daarop (Gemarah) is opgenomen in de Babylonische Talmoed (zesde eeuw).11 De wetten over de sjechita zijn op basis hiervan opgenomen in latere codificaties van het Joodse recht. Het gaat bij de koosjere slacht om het pijnloos toebrengen van de halssnede, die niet mag worden onderbroken of gestopt.12 Het is van cruciaal belang dat het dier niet wordt bedwelmd voorafgaande aan of tijdens de sjechita. Dat zou het vlees niet-koosjer (treife) en daarmee ongeschikt voor consumptie maken. De reden is dat het dier tijdens de sjechita gezond en ongeschonden moet zijn.

Dhabiha is de term voor het slachten van dieren volgens het islamitische recht. Ook in de islam maken de regels met betrekking tot de dhabiha deel uit van de voedselwetten, die aangeven welke dieren geschikt zijn voor consumptie. De religieuze slacht in overeenstemming met islamitisch recht is in de eerste plaats relevant voor de dieren die geofferd worden tijdens het Offerfeest. Vervolgens is het van belang met het oog op de dieren die geslacht worden voor de gewone consumptie. In de bronnen van het islamitische recht, de Koran en de soenna, vinden we de basis van het islamitische recht inzake het slachten van dieren.13

In het licht van deze religieuze voorschriften én van de erkenning van de godsdienstvrijheid in Europa is het begrijpelijk dat in het recht van veel lidstaten en van de Unie zelf op de voorgeschreven bedwelming van dieren voorafgaande aan de slacht een uitzondering gemaakt wordt voor de religieuze slacht. Dat was ook in België het geval.

Het Belgische recht

Bespreking

De Belgische wet betreffende de bescherming en het welzijn van dieren van 14 augustus 1986 kende in artikel 16 paragraaf 1 een uitzondering op de verplichting tot het bedwelmen van dieren voorafgaande aan de slacht voor ‘slachtingen voorgeschreven door de ritus van een eredienst’.14 In een decreet van het Vlaamse Gewest, dat in werking trad op 1 januari 2019, is een einde gemaakt aan deze uitzondering. Wel voorziet het decreet erin dat bij de slacht in het kader van religieuze riten de bedwelming omkeerbaar is en de dood van het dier niet het gevolg is van deze bedwelming. Dit door de Vlaamse wetgever bedachte ‘compromis’ beantwoordt niet aan de eisen die de religieuze regels stellen en was dan ook niet aanvaardbaar voor de betreffende godsdienstige gemeenschappen. Het Centraal Israëlitisch Consistorie van België, het Executief van de Moslims van België en nog een aantal joodse en islamitische organisaties zagen daarom aanleiding om het Grondwettelijk Hof van België te verzoeken het decreet te vernietigen. Zij beriepen zich onder andere op artikel 4 lid 4 en artikel 26 lid 2 van Verordening 1099/2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden en op artikel 10 van het Handvest (vrijheid van godsdienst). Dit was aanleiding voor het Grondwettelijk Hof om bij arrest van 4 april 2019 prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarop geeft het Hof van Justitie antwoord in het onderhavige arrest.

Europeesrechtelijk kader

Een aantal bepalingen van het recht van de Europese Unie staat centraal in deze zaak. Het gaat om artikel 13 van het Werkingsverdrag, dat bepaalt dat bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie ‘de Unie en de lidstaten ten volle rekening [houden] met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed’. Verder artikel 10 lid 1 van het Handvest: ‘Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst en overtuiging te veranderen en de vrijheid, hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden of zijn overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.’ Met name deze laatste zinsnede is van belang. De slacht overeenkomstig religieuze voorschriften is een belijdenis van de godsdienst door het onderhouden van geboden en voorschriften. Ten aanzien van mogelijke beperkingen bepaalt artikel 52 van het Handvest in lid 1 dat ‘[b]eperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. (…)’, terwijl lid 3 ten aanzien van de rechten die ook in het EVRM voorkomen bepaalt dat ‘de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde [zijn] als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend’.

Het recht van de Unie mag overigens altijd een ruimere bescherming bieden. Ook gaat het om Verordening 1099/2009. Deze verbindt in de preambule de uitzondering op het verbod van onbedwelmde slacht expliciet met de vrijheid van godsdienst: ‘Deze verordening respecteert derhalve de vrijheid van godsdienst, evenals het recht voor iedereen om zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in de praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften zoals verankerd in artikel 10 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.’15 Artikel 2(g) geeft een definitie van de term ‘religieuze rite’: ‘een reeks handelingen verband houden met het slachten van dieren die voorgeschreven is door een godsdienst’. Artikel 4 verplicht tot het bedwelmen van dieren, maar maakt in lid 4 een uitzondering:

‘4. Indien dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, zijn de voorschriften van lid 1 niet van toepassing mits het slachten plaatsvindt in een slachthuis.’

De Verordening laat in artikel 26 lid 2 striktere nationale regels toe:

‘De lidstaten kunnen nationale voorschriften aannemen die strekken tot uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden dan die van onderhavige verordening, en wel met betrekking tot (…) c) het slachten, en daarmee verband houdende activiteiten, van dieren overeenkomstig artikel 4, lid 4.’

Ten slotte komen nog artikel 20 (gelijkheid voor de wet), 21 (verbod van discriminatie) en 22 (eerbiediging van de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal) van het Handvest aan de orde in verband met de stelling van de eisers in het nationale geding dat de plicht tot verdoving in geval van de religieuze slacht discriminerend is, aangezien een dergelijke eis niet gesteld wordt aan het doden van dieren tijdens de jacht, de visserij of culturele en sportieve evenementen. Daar ga ik in deze bijdrage niet op in. Mijn focus is op de vrijheid van godsdienst.

De vrijheid van godsdienst

Het Hof overweegt om te beginnen dat de in artikel 4 lid 4 van de Verordening opgenomen uitzondering is opgenomen om te verzekeren dat de vrijheid van godsdienst wordt geëerbiedigd.16 Het stelt ook vast dat het bij de Verordening vastgestelde kader artikel 13 van het Werkingsverdrag, met daarin het dierenwelzijn en onder andere de godsdienstige riten, weerspiegelt.17 Verder concludeert het dat artikel 26 lid 2, eerste alinea en onder c, geen inbreuk maakt op de vrijheid van godsdienst.18

Anders dan de advocaat-generaal neemt het Hof van Justitie echter geen genoegen met de door de Europese wetgever in de Verordening neergelegde afweging tussen het belang van het dierenwelzijn en de bescherming van de godsdienstvrijheid. Het gaat aan de hand van de in het Handvest voorziene beperkingsclausule na of de door de Vlaamse regeling teweeggebrachte beperking van de godsdienstvrijheid in overeenstemming is met artikel 52 lid 1 en 3 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Werkingsverdrag. Aan de in artikel 52 gestelde eis van een wettelijke grondslag is voldaan.19 Voorts is in de visie van het Hof de wezenlijke inhoud van artikel 10 van het Handvest niet aangetast, nu de Vlaamse regeling, die reversibele bedwelming voorschrijft, ‘beperkt blijft tot één aspect van de specifieke rituele daad van het slachten en de rituele slacht als zodanig niet verboden is’.20 Hier past een kanttekening. Het Hof heeft de verleiding niet kunnen weerstaan om op de stoel van de theoloog te gaan zitten door een oordeel te geven over de vraag wat wezenlijk is voor de betreffende godsdiensten. Het denkt blijkbaar dat nu de Vlaamse regeling omkeerbare bedwelming mogelijk maakt, dat daarmee een heel eind tegemoetgekomen is aan de godsdienstige bezwaren. Het negeert tegelijkertijd dat naar de joodse en islamitische opvatting ook een dergelijke vorm van bedwelming niet in overeenstemming is met de godsdienstige regels. Het Hof gaat daarmee in tegen het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid, dat maant tot de grootst mogelijke schroom waar het gaat om de bepaling wat de voorschriften van een godsdienst eisen.21

Het Hof gaat verder na of de nationale regeling beantwoordt aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang.22 Dat is met het door de Vlaamse wetgever beoogde belang van het dierenwelzijn inderdaad het geval. Dat blijkt onder andere uit artikel 13 van het Werkingsverdrag. Ook hier blijf ik haken. Inderdaad noemt dat artikel het dierenwelzijn, maar het voegt daaraan toe de eerbiediging van niet alleen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, maar ook van de gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed. Het dierenwelzijn moet dus niet geïsoleerd worden nagestreefd, maar met inachtneming van de in de lidstaat bestaande gebruiken ten aanzien van de godsdienstige riten. De onverdoofde religieuze slacht maakt in Vlaanderen zonder meer deel uit van dergelijke gebruiken. Het Hof negeert met andere woorden het algemeen belang dat gediend wordt met het respect voor godsdienstige riten in een pluralistische samenleving.

Dat blijkt ook verderop in het arrest, als het Hof spreekt over de verzoening van artikel 13 van het Werkingsverdrag en artikel 10 van het Handvest, alsof artikel 13 alleen over het dierenwelzijn gaat.23 De verdragsluitende partijen hebben echter de bescherming van godsdienstige riten al ‘ingebouwd’ in artikel 13 en aldus het afwegingskader bepaald. Het Hof lijkt dit overigens te ontkennen.24 Merkwaardig is ook dat het Hof van Justitie zich geheel richt op de toetsing aan het algemeen belang, zoals dat in artikel 13 wordt verwoord, en niet ook de beperking analyseert in het licht van de in artikel 9 lid 2 EVRM opgesomde beperkingsgronden, openbare veiligheid, openbare orde, gezondheid, goede zeden en de rechten en vrijheden van anderen. Dit lag voor de hand, gelet op artikel 52 lid 3 van het Handvest, dat stelt ten aanzien van de rechten die ook in het EVRM voorkomen dat ‘de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde [zijn] als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend’. Deze toetsing zou de moeite waard zijn geweest, aangezien deze beperkingsgronden toch strikter zijn dan de formule van het algemeen belang. Er is gegronde reden voor twijfel of de Vlaamse regeling kan worden gerechtvaardigd op een van de in artikel 9 lid 2 limitatief opgesomde beperkingsgronden. Gelet op de eventueel in aanmerking komende gronden is dat zeer dubieus. Heel kort hierover het volgende. Openbare orde valt niet samen met algemeen belang, maar heeft een beperktere strekking. Een beroep op de goede zeden is niet sterk, nu enerzijds de betreffende godsdienstige voorschriften ook – al eeuwenlang – het dierenwelzijn op het oog hebben en anderzijds de in de samenleving relevante opvattingen over de zedelijkheid ook de bescherming van godsdienstige minderheden omvatten. Rechten en vrijheden van anderen, ten slotte, zijn niet aan de orde nu de bescherming van de belangen van dieren in de Europese rechtsorde geen gestalte heeft gekregen in de vorm van dierenrechten.

De mijns inziens meest bedenkelijke overweging van het Hof is die waarin het Handvest, net als het EVRM, typeert als een levend instrument dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige levensomstandigheden en de opvattingen die vandaag de dag in democratische staten heersen. Het Hof stelt vast dat het dierenwelzijn een waarde is waaraan de hedendaagse democratische samenlevingen sinds enkele jaren steeds meer belang hechten. Dat kan daarom in grotere mate in aanmerking worden genomen in het kader van het ritueel slachten en rechtvaardigen dat een regeling zoals het Vlaamse decreet evenredig is.25

Dit is een cruciale overweging. We kennen de hier gebruikte caoutchouc-formulering over het EVRM als levend instrument en de daaruit voortvloeiende interpretatie in het licht van verschuivende maatschappelijke opvattingen al heel lang uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het EHRM heeft deze formulering sinds de dagen van het Tyrer-arrest26 gebruikt om het geldingsbereik van de in het EVRM verankerde rechten en vrijheden uit te breiden. Op die manier realiseerde het meer vrijheid en minder beperkingen door de staat op grond van zich in de verdragsstaten aftekenende verschuivingen in (morele) opvattingen en praktijken. Dat was ook het geval in de door het Hof van Justitie in de onderhavige zaak aangehaalde uitspraak van het EHRM inzake Bayatyan tegen Armenië.27 Daarin ging het om de godsdienstvrijheid en wel om de erkenning van het recht op gewetensbezwaren van een Jehova’s getuige tegen de militaire dienst. Het frappante van de onderhavige zaak over de religieuze slacht is echter dat het Hof van Justitie de ‘levend instrument’-redenering gebruikt, niet om de vrijheidssfeer van de burgers te vergroten, maar juist om de strekking van een vrijheidsrecht, de godsdienstvrijheid, te beperken. De bescherming van een al millennia bestaande praktijk van het naleven van goddelijke geboden moet het afleggen tegen een ‘sinds enkele jaren’ in de maatschappij gegroeide waardering van het dierenwelzijn. Dat getuigt niet alleen van een zorgelijk gebrek aan historisch besef maar is ook vanuit een oogpunt van de bescherming van mensenrechten en in het bijzonder van de godsdienstvrijheid zeer aanvechtbaar. Grondrechten zijn er om de rechten van minderheden te beschermen tegen meerderheidsopinies en -praktijken in de samenleving. Als zij meer beperkt kunnen worden dan voorheen op grond van veranderde inzichten in de samenleving verliezen zij hun waarborgkarakter.

Afsluitende opmerkingen

Het arrest van het Hof kan een grote impact hebben op de in verschillende lidstaten van de Europese Unie gevoerde debatten over het verbieden van de religieuze slacht. In Wallonië is reeds een met de regeling in Vlaanderen overeenkomende wetgeving van kracht. In Nederland ligt (opnieuw) een vanwege de Partij voor de Dieren ingediend wetsvoorstel bij de Tweede Kamer.28 De uitspraak van het Hof heeft buiten de betreffende religieuze gemeenschappen29 echter niet geleid tot veel ophef in de samenleving. Dat is wellicht tekenend voor de betrekkelijk geringe waarde die in het huidig tijdsgewricht door een deel van de publieke opinie wordt gehecht aan de vrijheid van godsdienst.30 Deze wordt nogal eens met wantrouwen bekeken als een recht dat privileges verschaft aan gelovigen. Typerend is een uitspraak van de Vlaamse filosoof Boudry in Trouw over de opvatting dat het verbod op onbedwelmde religieuze slacht een inbreuk vormt op de godsdienstvrijheid: ‘dan wordt één en dezelfde daad – een dier de keel doorsnijden zonder verdoving – verboden voor één bevolkingsgroep (atheïsten), maar toegelaten voor een andere (moslims en joden). Dat is regelrechte discriminatie.’31

De afschaffing van de godsdienstvrijheid is voor sommigen inmiddels een reële optie.32 Gelovigen worden immers voldoende beschermd door het gelijkheidsbeginsel, het recht op privacy en de vrijheden van meningsuiting en van vereniging en vergadering.33 De problematiek die in het arrest aan de orde is, toont al aan dat dit argument niet opgaat. Het naleven van godsdienstige geboden op het terrein van de religieuze slacht kan niet of slechts zeer gekunsteld onder een van deze andere mensenrechten gebracht worden.

Vervolgens wordt door critici gesteld dat de vrijheid van godsdienst een privilege verschaft aan gelovigen dat ongelovigen moeten ontberen. Omwille van het gelijkheidsbeginsel zou de godsdienstvrijheid afgeschaft moeten worden. Met dezelfde redenering zou natuurlijk de afschaffing van allerlei andere rechten bepleit kunnen worden. De vrijheid van drukpers verschaft toch slechts een privilege aan de schrijver en de lezer? Ik schat dat slechts een minderheid van de bevolking tot de echte lezers behoort en dat een nog veel kleiner percentage boeken of artikelen publiceert. Is deze vrijheid daarmee een privilege geworden? Deze merkwaardige opvatting aangaande de betekenis van mensenrechten snijdt geen hout.

De vrijheid van godsdienst is geen privilege van slechts gelovigen, maar een recht van alle burgers in een vrije samenleving, die allemaal op een punt zijn of kunnen gaan komen dat zij een bepaalde godsdienst aanhangen. In voorkomende gevallen kunnen zij zich dan op het vrijheidsrecht beroepen als de staat daarop een niet gerechtvaardigde inbreuk maakt of dreigt te maken. Fundamentele rechten zijn er niet om de voorkeuren van meerderheden te accommoderen, maar om de rechten van minderheden te beschermen. Helaas heeft het Hof van Justitie dat niet goed begrepen. Zijn uitspraak is een zware slag voor de joodse en islamitische gemeenschappen in Europa. Het project van de Europese integratie is ooit begonnen met de gedachte ‘nie wieder’. We moeten daarbij bedenken dat één van de eerste maatregelen van de nazi’s in Duitsland en vervolgens in de door Duitsland bezette staten, zoals België en Nederland, een verbod op de religieuze slacht was. Het zij verre het Hof van Justitie van de EU te verdenken van nazisympathieën. Wel mag van het Hof verwacht worden dat zijn afwegingen blijk geven van historisch besef.

Voetnoten

  1. Zaak C-336/19, Centraal Israëlitisch Consistorie van België (enz.)/de Vlaamse Regering.
  2. Verordening (EG) 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009, PB 2009, L 303, p. 1.
  3. Par. 77 van de conclusie.
  4. Par. 44 van het arrest.
  5. Par. 47 van het arrest.
  6. Par. 61 van het arrest.
  7. Par. 71 van het arrest.
  8. Par. 77 van het arrest.
  9. Zie voor een heldere uitleg: N. Kesselman, Challenges to Shechita and its Protection by Government and Legislation in late 20th Century Britain, Londen: University of London (London School of Jewish Studies) 2001. Zie ook Shechita UK, A Guide to Shechita, 2008; M. Hyamson, ‘The Jewish Method of Slaying Animals from the Point of View of Humanity’, in: American Jewish Year Book (Vol. 25), 1924, p. 163-178.
  10. De gebruikte Bijbelvertaling is de Dasberg-vertaling; de cursivering is van mij, MdB.
  11. Traktaat Chullin, p. 1-2.
  12. Zie hierover L. van de Kamp, Dagboek van een verdoofd rabbijn, Zoetermeer: Boekencentrum 2012, p. 33-39, m.n. p. 33.
  13. Zie voor wat betreft de Koran m.n. Soera 5:3. Zie verder A. Majid Katme, An Assessment of the Muslim Method of Slaughter, www.guidedways.com/articles/halalslaughtermethod.php.
  14. Belgisch Staatsblad 3 december 1986, p. 16382.
  15. Verordening (EG) 1099/2009, Pb 2009, L 303, par. 18 van de preambule.
  16. Par. 43 en 44 van het arrest.
  17. Par. 47 van het arrest.
  18. Par. 48 van het arrest.
  19. Par. 60 van het arrest.
  20. Par. 61 van het arrest.
  21. Zie hierover B.P. Vermeulen, ‘Wie bepaalt de reikwijdte van de grondrechten? (preadvies)’, Rechtsfilosofie & Rechtstheorie 1992, p. 16-46, op p. 35. Zie ook A. Vleugel, Het juridisch begrip van godsdienst, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 67-69.
  22. Par. 62 en 63 van het arrest.
  23. Par. 71 van het arrest.
  24. Par. 47 van het arrest.
  25. Zie par. 77 van het arrest, hiervoor geciteerd.
  26. EHRM 25 april 1978, Publ. ECHR, Series A, vol. 26 (Tyrer/het Verenigd Koninkrijk).
  27. EHRM 7 juli 2011, CE:ECHR:2011:0707JUD002345903 (Bayatyan/Armenië), door het Hof aangehaald in par. 77.
  28. Kamerstukken II 2017/18, 34908, nr. 1, 2 en 3. Zie hierover M. de Blois, ‘Een verbod of de religieuze slacht is in strijd met de godsdienstvrijheid’, Nederlands Tijdschrift voor Kerk en Recht 2020-1, p. 131-146.
  29. Zie bijv. Jewish News 17 december 2020, ‘Anger over “absurd” European court ruling upholding Belgian shechita ban’, https://jewishnews.timesofisrael.com/ anger-over-absurd- european-court-ruling- upholding-belgian-shechita-ban.
  30. Zie hierover ook M. de Blois, ‘Dierenrechten versus godsdienstvrijheid’, in: H. Post & G. van der Schyff (red.), Godsdienstvrijheid in de Nederlandse rechtsorde. Nationale en Europese perspectieven, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014, p. 341-364.
  31. Trouw 24 februari 2018.

Dit artikel verscheen eerder in

Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2021 (12) 2
doi: 10.5553/TvRRB/187977842021012002007

Print Friendly, PDF & Email